In het Bossche stadhuis slaan de doctorandussen de maat
In dit artikel:
In Den Bosch zijn de bestuurlijke touwtjes stevig in handen van hoogopgeleiden; wethouders, raadsleden en veel ambtenaren hebben meestal een hbo- of universitaire achtergrond. Dtv Nieuws laat dat zien aan de hand van cijfers: van de zes wethouders hebben er vier een universitaire opleiding afgerond, bij de zestien fractievoorzitters hebben er slechts drie geen hbo of hoger gevolgd, en van de nummers 1 en 2 op de kandidatenlijsten van 18 deelnemende partijen zijn 30 van de 36 topkandidaten hbo of universitair geschoold. Dat staat in scherp contrast met de Bossche bevolking, waarvan ongeveer zestig procent geen hbo of universitaire opleiding heeft gedaan — een scheef beeld dat in veel andere gemeenten en nog sterker in de Tweede Kamer terugkomt.
Als tegenwicht staat de 63‑jarige automonteur en gemeenteraadslid Sjef van Creij uit Rosmalen. Praktisch geschoold, actief in de raad sinds 2006 en oprichter van de eenmansfractie Gewoon ge‑DREVEN, ervaart hij dagelijks dat veel besluiten en projecten verwijderd liggen van wat gewone mensen belangrijk vinden. Van Creij benadrukt dat raadswerk veel tijd kost (rond de 25–30 uur per week) en dat hoogopgeleide bestuurders soms sociaal onhandig overkomen en weinig binding met de leefwereld van praktijkmensen laten zien. Als concreet voorbeeld noemt hij het geprezen maar controversiële plan voor een nieuw Design Museum bij De Citadel — een prestigeproject dat uiteindelijk werd afgeblazen vanwege hogere kosten en gebrek aan draagvlak. Initiatieven om referenda te organiseren over dat plan of andere lokale dossiers mislukten in de raad.
De bezorgdheden over deze kloof zijn niet louter lokaal. Bestuurskundigen Mark Bovens en Anchrit Wille waarschuwen in hun boek Diplomademocratie dat een oververtegenwoordiging van academici leidt tot beleidskeuzes die weinig resoneren met mensen met lagere opleidingen. Zij stellen dat hoger opgeleiden zich vaker op abstracte, globale thema’s richten, terwijl praktisch geschoolden zich zorgen maken over directe levensvragen zoals rondkomen van de maand. Die andere prioriteiten beïnvloeden wat op de politieke agenda komt en hoe besluiten worden vormgegeven: technocratisch, spreadsheet-gestuurd beleid kan de afstand tot burgers vergroten.
Wethouder en politicus Pieter Paul Slikker (GroenLinks/PvdA, politicoloog) relativeert het probleem van het diploma: volgens hem zeggen papieren niet alles en is vermogen tot contact belangrijker. Tegelijk erkent hij dat het politieke werk steeds complexer en tijdrovender is, wat selecteert op mensen die dat kunnen combineren. Slikker wijst ook op verschuivingen in kiezersgedrag: traditionele sociaal‑economische tegenstellingen worden steeds vaker overstemd door culturele scheidslijnen (immigratie, klimaat, identiteit), waardoor partijen als GroenLinks/PvdA vooral hoogopgeleide kiezers aantrekken. Wereldwijd brokkelt het vertrouwen in democratische instituties af, merkt hij op, en voorbeelden uit de VS en Duitsland illustreren dat.
Als tegenmiddel pleit Slikker voor meer en beter georganiseerde burgerparticipatie. Onder zijn leiding organiseerde Den Bosch al twee burgerberaden — door loting samengestelde groepen burgers die gedoseerd en professioneel begeleid thema’s doorspreken — en hij ziet mogelijkheden om zulke vormen op te schalen. Volgens hem is vroegtijdige betrokkenheid van inwoners belangrijker dan achteraf een referendum te kunnen afdwingen: echte inspraak vanaf de start voorkomt wantrouwen en frustratie.
Kort samengevat: in ’s‑Hertogenbosch is er een duidelijke oververtegenwoordiging van hoger opgeleiden in bestuur en kandidatenlijsten, wat spanning oplevert met een grotendeels praktisch geschoolde bevolking. Critici waarschuwen dat dat leidt tot afstandelijk, technocratisch bestuur; lokale politici zoeken naar democratische vernieuwing, zoals burgerberaden en vroegtijdige participatie, om die kloof te dichten.