Steeds meer ambtenaren in Den Bosch: zijn die groeistuipen noodzaak of overbodig?

zondag, 24 mei 2026 (10:15) - Dtv Nieuws

In dit artikel:

In vijf jaar tijd groeide het ambtelijk apparaat van de gemeente ’s‑Hertogenbosch van 1.664 naar 1.998 fte’s: een toename van 334 banen (ongeveer 20%) tussen 2020 en 2025. Die groei vormde de aanleiding voor Leefbaar ’s‑Hertogenbosch-fractievoorzitter Maarten Kagie om in aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen op 14 maart met een ludiek Instagramfilmpje op te roepen tot een krimp van tien procent, te beginnen bij managers. Kagie wilde de vrijgekomen ruimte in het stadskantoor gebruiken voor woningen; zijn partij verdubbelde bij de verkiezingen van twee naar vier zetels, maar sluit deelname aan het college uit omdat de grootste partijen de samenwerking niet willen.

Kagie vergelijkt de gemeentelijke situatie met het bedrijfsleven (hij noemde ASML als voorbeeld) en beklaagt zich erover dat extra ambtenaren niet leiden tot betere dienstverlening. Hij somt beleidsdossiers op waar hij ontevreden over is: te traag woningbouw, stagnerende warmtetransitie, vertraagde lokale zorgteams en projecten die volgens hem niet tot de kerntaken horen—diversiteitsbeleid en luxe-initiatieven zoals een nieuw Design Museum noemt hij voorbeelden van verkeerde prioriteiten. Financieel vertaalt de personeelsgroei zich, bij een gemiddelde loonsom van circa €80.000 per ambtenaar, ruwweg in €26 miljoen extra kosten over de periode; de gemeente heeft jaarlijks een begroting van bijna €1 miljard.

Wethouder Ralph Geers (VVD), verantwoordelijk voor personeelsbeleid, plaatst de stijging in een breder perspectief. Ook andere grote gemeenten kennen vergelijkbare groei, stelt hij, door de decentralisatie van taken van het Rijk (zoals jeugdzorg en Wmo) en doordat gemeenten steeds meer verantwoordelijk zijn voor grote opgaven zoals woningbouw, energietransitie en de opvang van vluchtelingen. Daarnaast noemt hij lokale redenen voor extra capaciteit: veiligheidsschendingen bij de afvalstoffendienst en ambitieuze uitbreidingsplannen (De Vliert, Bossche Stadsdelta, Groote Wielen) waarvoor extra personeel nodig is. Geers wijst erop dat groei op zichzelf geen doel is en dat efficiëntie belangrijk blijft, maar waarschuwt dat een plotselinge korting van tien procent de werkdruk zou vergroten en de dienstverlening juist zou schaden.

Beide kanten erkennen de noodzaak van keuzes. Kagie pleit voor het kritisch doorlichten van het ambtelijk apparaat en het terugschroeven van bestuurlijke ambities die leiden tot veel nieuw werk, zeker nu een nieuw college getalsmatig scherper zou moeten prioriteren. Hij hekelt tevens dat veel topmanagers buiten de gemeente wonen en mist lokale binding. Geers benadrukt dat het bestuur scherp moet blijven op wat echt nodig is en dat technologische ontwikkelingen—zoals AI—mogelijk de werkprocessen gaan beïnvloeden, maar dat de effecten nu nog onduidelijk zijn.

Kortom: in ’s‑Hertogenbosch botst politieke kritiek op vermeende bureaucratische bloat met bestuurlijke argumenten over taakuitbreiding en uitvoering van omvangrijke ambities. De discussie draait om prioritering: hoeveel mensen zijn er echt nodig om kerntaken goed te doen, en welke projecten verdienen voorrang nu de druk op personeel en financiën toeneemt?