Welk dier zette zijn voetafdruk op de muur van Henri en Jeanne?

zaterdag, 3 januari 2026 (08:07) - Omroep Brabant

In dit artikel:

Boswachter Frans Kapteijns beantwoordt lezersvragen uit de Stuifmail en behandelt deze week onder meer vier vondsten: een pootafdruk op een tuinmuur, een klont hars in De Maashorst, een groepje zangvogels in een tuin en gaten met houtpoeder in boomschors. Deel twee van de Stuifmail verschijnt zondag en er is ook een wekelijkse podcast.

Een vreemde afdruk op een tuinmuur in Eindhoven (ontdekt door Henri en Jeanne Kox‑Rijnen) wijst volgens Kapteijns op een wasbeer. Kenmerken die daarbij passen: het zwart‑witte gezichtsmasker, de ruige, zwartgeringde staart en lange tenen met niet intrekbare nagels. Wasberen zijn nachtdieren die vaak in bomen rusten en bekend zijn geworden vanwege het ‘wassen’ van voedsel. Oorspronkelijk uit Noord‑Amerika, kwamen ze naar Europa via ontsnapte dieren en door introducties (ook als mascottes bij Amerikaanse militairen). Omdat wasberen invasief zijn en schade kunnen aanrichten, staan ze op de Europese lijst van zorgwekkende uitheemse soorten; lidstaten moeten maatregelen nemen en waarnemingen melden. In Nederland zijn meldingen in alle provincies, met kerngebieden in Limburg en een toenemende aanwezigheid in Brabant.

In natuurgebied De Maashorst vonden Corry en Jan de Kruijf een vreemd object dat leek op een raat; Kapteijns verklaart het als een grote klonter hars, waarschijnlijk van een dennenboom (bijvoorbeeld grove den of zee‑den). Hars wordt in harskanalen in schors, twijgen en kegels gevormd en dient als natuurlijke bescherming: het sluit wonden, houdt ziekteverwekkers en insecten buiten en voorkomt vochtverlies. Bij grote verwondingen kan zich veel hars ophopen; soms wordt zo’n klonter te zwaar en valt hij uit de boom — dat lijkt hier het geval.

Eugenie Boer zag meerdere kleine lijsterachtigen in haar tuin; het betrof koperwieken (redwings). Deze vogels broeden in Scandinavische naaldbossen en trekken vanaf september massaal naar Nederland als doortrekkers en wintergasten. Koperwieken zijn herkenbaar aan koperrode oksels en zoeken hier vooral beschutting bij bessenrijke struiken (meidoorn, lijsterbes, vlier, klimop, hulst, braam) en eten in de winter voornamelijk bessen en soms fruit; in het broedgebied voeden ze zich met ongewervelden.

Conny Swalen zag op 2 oktober bomen met gaatjes en fijn poeder onder de schors. Dat poeder is houtpoeder of boormeel, vaak gemengd met uitwerpselen van borerende insecten (larven van boktorren of ‘houtworm’‑kevers). Op de ingezonden foto lijken de gaten en weggehakten schors typisch voor het werk van de grote bonte specht: die zoekt in levende maar verzwakte bomen naar larven en andere onder‑schors‑prooien. Spechten zijn gespecialiseerd in het opsporen van insecten die bomen al aantasten, zoals houtwormen, boktorlarven en soms schorskevers (bijvoorbeeld de letterzetter).

Kort advies dat uit de vragen volgt: waarnemingen van wasberen melden; grote harsklonten zijn meestal onschuldig en vallen soms uit bomen; koperwieken vind je vooral waar veel bessen zijn; en gaten met boormeel wijzen vaak op borerende larven met spechten die daarop jagen.